Robert Mitchell was altijd een crimineel in hart en nieren, simpelweg een vader die gebukt ging onder armoede, hoge medische kosten en een systeem dat genade in dollars berekent in plaats van wanhoop.
Hij had ooit dubbele diensten gedraaid in een magazijn, waar hij kratten stapelde door middel van traptreden, in de overtuiging dat hard werken altijd voldoende zou zijn om zijn dochter te beschermen.

Maar toen Lily’s ziekte verergerde en de apotheek weigerde krediet te verlenen, werd twintig dollar een levensbedreigende situatie.
Dus stal hij een klein doosje medicijnen, niet voor winst of plezier, maar om zijn kind door een andere fragiele fase heen te helpen ademen.
Nu stond hij in een overvolle rechtszaal, polsen gebald, ogen hol, wetende dat een veroordeling gevangenisstraf zou betekenen en Lily alleen in een pleeggezin zou verblijven.
De rechtszaal rook naar gepolijst hout en stilte, en was gevuld met toeschouwers die fluisterden over verantwoordelijkheid zonder hun gemoed te ondermijnen.
Rechter Catherie Westbrook zat op de hoge bank, haar zwarte toga gedrapeerd over bewegingloze benen die haar al drie jaar niet gehoorzaamden.
Ze werd de Ironische Rechter genoemd, een vrouw die een verwoestend ongeluk had overleefd en haar angst had verzwolgen onder een rigide interpretatie van de wet.
Ze geloofde dat medeleven de rechtvaardigheid vertroebelde, en dat rechtvaardigheid, volgens haar, scherp, koud en ongevoelig voor emotionele manipulatie moest blijven.
Toen de zaak van Robert werd behandeld, bekeek ze het dossier met geoefende afstandelijkheid, waarbij ze een blanco strafblad, een alleenstaande vader en diefstal van minder dan twintig dollar aantrof.