Je staarde hem aan.
“Het is een matras.”
“Ik weet wat het is.”
‘Waarom doe je dan alsof ik een kluis aan het openbreken ben?’
Zijn neusgaten trilden. “Want elke keer dat je met die schoonmaakobsessie begint, staat het hele huis op zijn kop. Laat het bed met rust.”
Daarna werd het stil in de kamer, een stilte die meer aan een stroomstoring deed denken dan aan vrede.
Je liet je handen langzaam zakken. “Waarom ben je zo overstuur?”
Hij keek je een lange seconde aan, en er verscheen een uitdrukkingsloos gezicht in zijn ogen.
‘Ik ben moe,’ zei hij vlakaf. ‘Dat is alles.’
Daarna nam hij een douche, at opgewarmde restjes en bracht de rest van de avond door met televisiekijken alsof er niets gebeurd was.
Je zat naast hem en hoorde alleen het woord ‘niet’.
Daarna hield angst op abstract te zijn.
Het drong je lichaam binnen. Je merkte het aan de manier waarop je sloten extra controleerde, aan hoe vaak je zag dat hij zijn koffer dicht bij zich hield, aan de licht muffe geur aan zijn kant van de kast als je er dichtbij kwam. Het nestelde zich in je maag elke keer dat hij naast je ging liggen en de geur weer opsteeg uit het matras, als adem uit een graf.
Je had jezelf voorgenomen om niet in een neerwaartse spiraal terecht te komen.
Toen begon je toch al aantekeningen te maken.